Balans tussen eerlijke belastingheffing en gegevensbescherming: de invloed van de DAC7-richtlijn
Door: Melanie Tomić
Inleiding
Digitale platformen als Marktplaats en Vinted hebben de particuliere verkoop van goederen laagdrempelig gemaakt. Hierdoor is een grijs gebied ontstaan tussen hobbymatige verkoop en commerciële handel. Dit brengt het risico mee dat inkomsten van verkopers op deze platformen niet volledig worden aangegeven.1 De Europese richtlijn DAC72, sinds 1 januari 2023 van kracht, verplicht platformexploitanten om informatie over verkopers te verzamelen en door te geven aan de belastingdiensten. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) en artikel 53bis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Door de nieuwe regelgeving zijn digitale platformen verplicht om informatie over verkopers op digitale platformen door te geven aan de Belastingdienst.3 Een verkoper wordt als rapportageplichtig aangemerkt zodra hij meer dan dertig transacties per jaar verricht en/of meer dan €2.000,- per jaar verdient.4 Daarbij maakt het niet uit of er winst wordt behaald. Ook transacties zonder winstoogmerk vallen binnen het bereik van de rapportageplicht, mits aan de drempels is voldaan. Zo kan bijvoorbeeld een moeder die babykleertjes verkoopt voor lage prijzen boven de drempel uitkomen en alsnog worden gerapporteerd. In deze blog kijken we naar de rapportageverplichtingen en of deze in lijn zijn met artikel 25 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
De reikwijdte van de rapportageverplichting
De verplichting tot gegevensuitwisseling ontstaat pas wanneer de drempelwaarden van DAC7 worden overschreden. Alleen dan is het platform verplicht om onder andere de naam, geboortedatum, woonadres, IBAN, omzet en aantal transacties van een verkoper te rapporteren. Dit geldt ongeacht of er belasting verschuldigd is.5
Belangrijk is het onderscheid tussen de rapportageplicht (platform) en belastingplicht (verkoper). De Belastingdienst beoordeelt pas achteraf, op basis van ontvangen gegevens, of er sprake is van een bron van inkomen. Dat betekent dat ook verkopers zonder winstoogmerk of belastingplicht onderwerp van gegevensuitwisseling zijn.
Juridische spanningen tussen DAC7 en de AVG
Artikel 25 AVG vereist dat gegevensbescherming wordt ingebouwd in het ontwerp van gegevensverwerkingssystemen (privacy by design).6 Hier ontstaan spanningen met DAC7 op drie punten: behoorlijkheid, non-discriminatie en minimale gegevensverwerking.
Behoorlijkheid en non-discriminatie
In overweging 10 van DAC7 staat dat zowel grensoverschrijdende als nationale activiteiten onder de rapportageplicht vallen, ter voorkoming van fiscale discriminatie tussen lidstaten.7 Deze bepaling ziet echter op de gelijkheid tussen lidstaten en niet op de gelijke behandeling van natuurlijke personen (data subjects). Voor de AVG is juist het laatste van belang: discriminatie bij gegevensverwerking op grond van bijvoorbeeld nationaliteit, sociaaleconomische status of gebruik van digitale platformen. DAC7 bevat nauwelijks waarborgen ter bescherming van deze individuele belangen.
Daarnaast is er een probleem met betrekking tot de territoriale werking van DAC7. De verplichting tot gegevensrapportage rust op het platform, maar dit platform kan te maken krijgen met rapportageverplichtingen in meerdere lidstaten. Een platform dat verkopers in meerdere EU-landen bedient, moet ofwel één EU-lidstaat kiezen als rapportagelocatie (de zogenoemde ‘focale lidstaat’), of in elk van die landen voldoen aan afzonderlijke nationale implementaties van DAC7. Dit leidt tot een risico op ongelijke behandeling van verkopers afhankelijk van het land waarin het platform is gevestigd of de verkoper woonachtig is. Deze ongelijke juridische en praktische lastenverdeling kan indirect ook tot discriminatie tussen betrokkenen leiden. Dat is in strijd met het beginsel van behoorlijke gegevensverwerking.
Menselijke tussenkomst en het SCHUFA-arrest
In het arrest Hessen/SCHUFA benadrukt het Hof van Justitie dat individuen niet mogen worden onderworpen aan besluiten gebaseerd op uitsluitend geautomatiseerde verwerking zonder betekenisvolle menselijke tussenkomst.8 De automatische gegevensuitwisseling onder DAC7 door platforms is op zichzelf geen ‘geautomatiseerde besluitvorming’ in de zin van artikel 22 AVG, maar een wettelijke verwerkingsverplichting. De rechtsgevolgen voor verkopers ontstaan pas bij de Belastingdienst, wanneer deze de ontvangen gegevens verwerkt en bijvoorbeeld een kwalificatie (privé of zakelijke verkoop) toekent. Volgens de huidige praktijk vindt daar menselijke beoordeling plaats, waardoor artikel 22 AVG formeel niet wordt geschonden. Toch blijft er een aandachtspunt: wanneer de Belastingdienst in de toekomst (deels) automatisch zou gaan kwalificeren of besluiten zonder voorafgaande menselijke toets, kunnen risico’s zoals automation bias en een gebrek aan effectieve bezwaarprocedures ertoe leiden dat de waarborgen van artikel 22 AVG in het gedrang komen.
Dataminimalisatie
Artikel 5 lid 1 onder c AVG schrijft voor dat persoonsgegevens “adequaat, relevant en beperkt tot wat noodzakelijk” moeten zijn. DAC7 verplicht echter tot grootschalige verzameling van gegevens zodra drempels worden overschreden, ongeacht of belasting verschuldigd is. Hierdoor worden ook niet-belastingplichtige verkopers geraakt.9 Een meer genuanceerde benadering – zoals rapportage alleen bij duidelijke fiscale relevantie – ontbreekt. Een tussenoplossing zou kunnen zijn dat platformen vooraf een belastinganalyse uitvoeren.
Probleemanalyse
De fundamentele spanning ligt niet uitsluitend in de Nederlandse implementatie, maar in DAC7 zelf. De richtlijn verplicht tot brede gegevensverzameling door platforms, ook wanneer nog geen belastingplicht is vastgesteld. Hoewel het de vraag is of belastingplicht zonder deze brede gegevensset met minder data betrouwbaar kan worden vastgesteld, ligt de kern van het risico bij de verwerking door de Belastingdienst. Zodra de gegevens daar beschikbaar zijn, is het vooral van belang welke waarborgen gelden voor de beveiliging, opslag, toegang en verdere verwerking. De Nederlandse implementatie bevat op dit punt weinig zichtbare waarborgen. Zo is geen specifieke informatie opgenomen over versleuteling, toegangsbeperkingen, bewaartermijnen of onafhankelijke toezichtmechanismen voor deze gegevensstroom.
Aanbevelingen
Om de spanning tussen DAC7 en de AVG te verlichten, zijn verschillende maatregelen denkbaar, waaronder het ontwikkelen van een voorlichtingsportaal (“DAC7-omgeving”) op de website van de Belastingdienst, het gebruiken van minder gedetailleerde gegevens, zoals bankverificatie in plaats van persoonsgebonden rapportage en in de wet of beleidsregels verduidelijken dat alleen gegevens van fiscaal relevante verkopers worden doorgegeven, mits uitvoerbaar.
Verkoopt u wel eens spullen via Marktplaats, Vinted of een ander platform en vraagt u zich af wat dit betekent voor uw privacy? Of loopt u tegen een ander IT-rechtelijk vraagstuk aan? De IT-Rechtswinkel staat klaar om u verder te helpen. Neem contact met ons op via info@it-rechtswinkel.nl
- Kamerstukken II 2021/22, 36063, 3, p. 3.
- Richtlijn (EU) 2021/514 van de Raad van 22 maart 2021 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen.
- Gruson, Janssen & Hagenaars, ‘DAC7 voor platformexploitanten: recente ontwikkelingen Nederlandse implementatie’, BTW-bulletin 2023/33, nr. 5, p. 11.
- Bijlage V, deel I, onderdeel B, punt 4, onder d van Richtlijn 2021/514.
- B.T.J.G. van Osch, ‘Update DAC7: vijf voor twaalf of vroege vogel?’, BtwBrief 2022/88, nr. 12, p. 18; Kamerstukken II 2021/22, 36063, 3, p. 4-5 en 11; Overweging 9 van Richtlijn 2021/514.
- Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen, punt 61.
- Richtsnoeren 4/2019 inzake artikel 25 Gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen, punt 70.
- HvJ EU 7 december 2023, C-634/21, ECLI:EU:C:2023:957 (SCHUFA Holding), punt 66.
- B.T.J.G. van Osch, ‘DAC7: met het oog op transparantie?’, BtwBrief 2022/58, nr. 8/9, p. 19.